Prekoloniaal
Het is allerminst correct om te stellen dat de Congolese geschiedenis pas startte met de komst van de Europeanen. De prekoloniale geschiedenis van Congo wordt onder andere gekenmerkt doot het bestaan van grote koninkrijken zoals het Kongo-rijk, het Kuba-rijk, het Lunda-rijk en het Luba-rijk.
Deze rijken kenden vaak een centrale administratie, hadden uitgebreide handelsnetwerken en een grote culturele productie.
Kongo-Vrijstaat (1885 -1908)

België, opgericht in 1830, had niet het recht om kolonies te vestigen. Dit stuitte echter op de expansieve plannen van koning Leopold II. Dromend van België als koloniale grootmacht, kwam hij in contact met de ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley.
Leopold II stuurde Stanley uit op onderzoek en ontdekking in het gebied van het huidige Congo, met het oog op een persoonlijke kolonie. Door middel van een uitgekiende diplomatie kreeg Leopold II erkenning van andere Europese mogendheden als zijnde hoofd van een ‘internationale vrijhandelszone’, Kongo.
De periode van Kongo-Vrijstaat is wellicht één van de meest trieste pagina's uit het geschiedenisboek van veel Congolezen. Leopold II beschouwde zijn internationale vrijhandelszone namelijk meer als een privé-domein met een voornamelijk economische functie. Ze was met andere woorden meer een grondstofwinningsgebied dat zoveel mogelijk geld moest opbrengen door middel van zo laag mogelijke investeringen. Dit ging gepaard met enorme wantoestanden, die aan menig Congolees het leven kostte.
Vooral de uitbuiting ten voordele van de rubberontginning was ronduit onmenselijk. Nadat aan deze praktijken ruchtbaarheid werd gegeven en het een belangrijk item werd in de (buitenlandse) pers en publieke opinie, werd er uiteindelijk een onderzoekscommissie ingesteld. De resultaten van deze commissie en de stijgende buitenlandse druk op Leopold II en de Belgische staat, zorgden ervoor dat Kongo-Vrijstaat in 1908 werd overgedragen aan België.
Belgisch Kongo (1908-1960)
De Belgische koloniale administratie in Kongo werd uitgebouwd aan de hand van een systeem van wat ‘indirect rule’ wordt genoemd. Dit systeem bouwde verder op de bestaande – of door de koloniale overheid aangepaste – (pre-koloniale) structuren. Dit betekende concreet dat de Belgische staat zorgde voor een minimum aan infrastructuur en bestuur, zodat vb. bedrijven in een gunstig klimaat konden functioneren.
Daarnaast werden lager onderwijs en een basisgezondheidszorg uitgebouwd. Hoewel deze infrastructuur voor de plaatselijke bevolking tot een minimum beperkt bleef, kunnen we hier toch spreken van een zekere vooruitgang. Wel kunnen we stellen dat deze voornamelijk geïnstalleerd werd in functie van het koloniale systeem, vb. om toegang te hebben tot gezonde arbeidskrachten, en dus niet zozeer uit humanitaire overwegingen.
Tijdens de koloniale periode was er wel degelijk Kongolees verzet tegen de Belgische bezetting. Deze werd nog aangewakkerd door de Tweede Wereldoorlog, die voor de Kongolezen – net als tijdens WO I – een bijzonder moeilijke periode was, aangezien zij de oorlog en later ook de heropbouw van België mee dienden te bekostigen. Het was onder andere hierdoor dat de vraag naar meer Kongolese inspraak in het koloniale bestuur pas echt begon te weerklinken na WO II. De Kongolezen hadden immers in het koloniale bestuur bitter weinig inspraakmogelijkheden.
Een van de vragende partijen waren enkele zogenaamde ‘evolués’, de weinige Congolezen die gestudeerd hadden, meestal een job in de koloniale administratie hadden en ‘geciviliseerd’ waren, wat inhield dat ze zich hadden aangepast aan een westerse-Belgische levenstijl (zo moesten ze onder andere bloemkool kunnen bereiden). Deze groep was net als het aantal Kongolese universitairen heel beperkt gebleven.
Toen de vraag naar meer inspraak onbeantwoord bleef door de koloniale mogendheid, klonk de roep naar onafhankelijkheid steeds luider. België had, in tegenstelling tot andere koloniale moederlanden, Kongo echter totaal niet voorbereid op de onafhankelijkheid, zoals de weigerachtige houding van België tot meebestuur – die de Kongolezen niet echt voorbereidde op zelfbestuur – illustreert.
Bovendien werd de onafhankelijkheid op een zeer korte termijn uitgeroepen.
Dit alles zorgde ervoor dat de onafhankelijkheid op 30 juni 1960 niet zonder moeilijkheden zou ingeluid worden.
Na de onafhankelijkheid

De eerste onafhankelijke Congolese regering die aantrad, stond onder leiding van president J. Kasavubu, met als eerste minister P. Lumumba. Daar de grondwet van Congo bijna een kopie was van de Belgische grondwet, was de presidentiële macht beperkt, en lag de politieke macht eerder bij de eerste minister.
Enkele westerse mogendheden (waaronder ook België en de VS) waren echter niet te spreken over ‘het eerder linkse' beleid van Lumumba, dat in de context van de Koude Oorlog als te communistisch – en dus gevaarlijk – werd beschouwd. Nog in hetzelfde jaar dat hij aantrad, werd Patrice Lumumba uit zijn politieke functie ontheven en vermoord.
Ook president Kasavubu werd later op een zijspoor gezet.
De periode die hierop volgde – van 1960 tot 1965 – was voor Congo zeer woelig.
Hieraan maakte Mobutu, een chef-staf uit het leger, een einde door op 24 november 1965 de macht te grijpen.
Na verloop van tijd ontpopte hij zich echter tot een ware dictator, waarbij hij het midelpunt werd van een ware personencultus, waaraan zijn prestigeprojecten zoals het grote stadion in Kinshasa, of de waterkrachtcentrale zeker bijdroegen.

Met Zaïre (zoals Mobutu Congo in de jaren ’70 herdoopte) ging het echter alles behalve de juiste kant op. Geld werd een steeds belangrijkere drijfveer in het bestuur van de staat.
Mobutu verrijkte zichzelf en een beperkte groep vrienden en familie, een rijkdom die steeds meer verschilde van de plaatselijke bevolking, die grotendeels in grote armoede leefde.
Wanbeheer en politieke corruptie holden de Zaïrese staat meer en meer uit, wat tot een enorme chaos leidde. In het begin van de jaren ’90 is de Congolese bevolking moegetergd. In Kinshasa wordt die periode gekenmerkt door verscheidene plunderingen, waarvan de gevolgen tot op de dag van vandaag merkbaar zijn.
In de grensgebieden in het oosten van het land (waar zich ondermeer ook de grote bodemrijkdommen bevinden) ontstonden conflicten met de buurlanden, wat samen met het conflict in de buurlanden zelf, de stabiliteit in Zaïre alleszins niet verbeterde.

In deze periode ontstond ook het AFDL – een guerilla leger uit het oosten onder leiding van Laurent Kabila – die Mobutu na de inname van Kinshasa in 1997 het land uitjoeg. Mobutu stierf enkele maanden later aan kanker.
Het AFDL had hiervoor niet veel moeilijkheden ondervonden, in hun opmars vanuit het oosten van Zaïre hadden de troepen in de meeste regio's vrij makkelijk doorgang gevonden. De Zaïrese bevolking was Mobutu immers meer dan moe.
Dit betekent echter niet dat deze doorgang rimpelloos verliep, het AFDL beging veel wandaden.
Met het aantreden van Kabila als president van de Democratische Republiek Congo kreeg de Congolese bevolking nieuwe hoop, die echter als snel omsloeg in desillusie toen men merkte dat de komst van Kabila niet echt veel verbetering bracht.
Kabila voerde een bijna even autoritair gezag als zijn voorganger. Zo ontstonden reeds in 1998 nieuwe rebellenlegers in het oosten van het land, met steun van buurlanden als Rwanda en Uganda. Zij namen de wapens terug op en bezetten grote delen van de oostelijke gebieden.
Een nieuwe burgeroorlog was uitgebroken.
Uiteindelijk werd Kabila in januari 2001 door één van zijn lijfwachten vermoord.

Zijn zoon Joseph Kabila nam de macht over. In de hoofdstad Kinshasa wordt zijn beleid niet zo positief benaderd, in sommige andere regio’s wordt hij wel meer positief bevonden.
Kabila jr. wordt onder andere verweten niet echt 'ondernemend' te zijn. Zo is Kabila jr. gekant tegen de oorlog in het oosten, maar vinden vele inwoners van Kinshasa dat hij hierin te laks en te gelaten reageeert.
In december 2002 tekende hij wel – onder (inter-)nationale druk – het vredesakkoord voor het oosten van het land.
Stabiliteit is er in Congo echter nog steeds niet.
Ook de corruptie wemelt er nog volop. Joseph Kabila probeerde wel een hand uit te steken naar westerse bedrijven om de economie op te krikken. Ook organiseerde hij – weeral deels onder druk – verkiezingen in zijn land.
In de loop van 2005 vonden de inschrijvingen plaats voor de verkiezingen van 2006, eind 2005 konden de kiesgerechtigde Congolezen in een nationaal referendum stemmen over de nieuwe Congolese grondwet. Aan de verkiezingen van 30 juli 2006 namen tal van presidentskandidaten deel, enkel kandidaten van een van de grote oppositiepartijen, de UDPS, ontbraken.
President Joseph Kabila kon op 30 juli nog geen meerderheid van de stemmen halen, hij heeft een grote aanhang in het oosten van het land, maar is in het westen en in de hoofdstad Kinshasa alles behalve populair. Een tweede ronde – met als andere presidentskandidaat Jean-Pierre Bemba – was nooodzakelijk om uitsluitsel te brengen.
Bemba was dé favoriet in o.a. de hoofdstad Kinshasa. De tweede ronde ging door op 29 oktober 2006. Maar ook in de tweede ronde kon Bemba het niet halen van J. Kabila.
Joseph Kabila werd door het Congolese hooggerechtshof uitgeroepen tot legitiem verkozen president van de Democratische Republiek Congo.